Dit door de hoeveelheid en de verscheidenheid van de ontdekte
vindplaatsen: villa's te Treignes, Matagne-la-Petite, Nismes, Boussu,
Gronsart, Roly, Vireux. Verder tempels te Matagne-la-Grande en
Matagne-la-petite, begraafplaatsen te Treignes, Nismes, Vireux en
vestingwerken te Nismes (Roche St.Anne), Dourbes (Roche Lomme),
Treignes (Matignolle) en Vireux-Molhain (Mont-Vireux).
De overvloed aan romeinse resten getuigt ongetwijfeld van een
plaatselijke voorspoed die verband houdt met de geologische eigenschappen
van de kalkstrook. Ze vormt de scheiding tussen de fagne (veen) en
de Ardennen, wat zekere natuurlijke rijkdommen biedt, zoals slib
bevattende gronden, die voordelig zijn voor de landbouw, kalksteenhoudende
zomen die geschikt zijn voor bouw, limonietlagen en zwavelloodaders,
respectievelijk gunstig voor ijzer en lood-exploitaties.
De ontwikkeling van de villa's vond plaats tijdens de tweede helft van de Ie eeuw. De eerste germaanse invallen hadden tot gevolg dat de villa's werden verlaten. Er werden vestingen en tempels gebouwd en rond het midden van de IIIe eeuw aanzienlijke muntschatten verborgen. Tijdens de IVe eeuw werden de meeste villa's opnieuw bewoond en gedurende de Ve eeuw onderging de gallo-romeinse bevolking meer en meer invloed van het germanendom. Er werden kolonisten van germaanse oorsprong in het romeinse imperium ontvangen en met de grensbewaking belast. Het is ongetwijfeld aan hen te danken dat de overgang van het romeinse tijdperk naar de vroege Middeleeuwen tamelijk vredig verliep.
Het gallo-romeinse heiligdom van de Bois des Noel te Matagne-la-Grande, werd het eerst verkend en onderzocht door A. Becquet van de Societe Archologique de Namur. Tussen 1975 en 1981 werd het grondig opgegraven door de Cercle de Recherches et d'Etudes Archologiques van Doische (CEREA), onder het beschermheerschap van de Nationale Opgravingsdienst.
Het heiligdom of temenos, dat ongeveer 66 are groot is, wordt omringd
door een vierhoekige ommuring. De ten zuiden gelegen gevel is
samengesteld uit een dubbele zuilengalerij (1-2), ten oosten geflankeerd
door een hoekzaal (3) in de vorm van een uitstek. De hoofdingang (4)
omvat een driepoortig portaal met centrale doorgang, dat rechtstreeks
uitkomt op het voorplein, waarop twee constructies stonden. Het betreft
de hoofdtempel met peribool of deambulatorium (5). Meer naar het oosten
toe bevind zich een rechthoekig gebouw (6), dat waarschijnlijk
als opslagplaats diende. Ten zuiden hiervan ligt een kuil (7),
die is uitgehold in de rots en als een soort bekken of bad zou kunnen
hebben gediend. Twee bijgebouwen liggen aan de buitenkant van de
temenos: een kleine vierkante tempel (8)
(met een sokkel voor het beeld van een godheid) en ten noorden een
klein rechthoekig gebouw (9) (waarschijnlijk een offergave-depot).
Twee constructieperiodes moeten worden onderscheiden. De eerste fase, stammend uit de bloeitijd van het keizerrijk, omvat de hoofdtempel, de temenos, die door een eenvoudige muur is afgebakend, en de kleine drieho ekige constructie die aan de buitenkant ligt. Vanaf 260 na Chr., die tijd van de eerste germaanse invallen, werd het cultus-oord veel bezocht, tot aan het begin van de Ve eeuw. De verfraaiing van het heiligdom stamt uit de tweede helft van de IVe eeuw. Toen werden de portiek, de hoekzaal, de opslagplaats van de kleine tempel bijgebouwd. Talrijke brandsporen tonen aan dat het heiligdom in het begin van de Ve eeuw werd verwoest.
Het sanctuarium van de Bois des Noel was, gezien zijn ligging, zeker verbonden met de watercultus, maar het blijft onbekend wat de identiteit van de vereerde goden was. Enkele archeologische vondsten zouden verwijzen naar Mercurius, Minerva of Mars. Dit soort sanctuarium diende behalve als heiligdom ook als een soort landelijk forum waar de mensen uit de streek elkaar konden ontmoeten, met elkaar praten en handel drijven. In 1991 is CEDARC begonnen met de restauratie van de site.